Bij ons Joden is alles altijd anders. Waar alle volkeren de jaarwisseling vieren op de eerste dag van hun jaar, vieren wij Nieuwjaar op de eerste dag van onze 7e maand: Tisjré. Gelukkig is deze afwijking van de algemene mores dit keer geen kwestie van eigenwijsheid. Natuurlijk zijn wij een eigenwijs en zelfs stijfkoppig volkje… maar in dit geval doen wij de dingen anders juist uit gehoorzaamheid: onze Koning, de Koning van Israël, Hij die alles schiep en al dat bestaat doet bestaan, de Almachtige, de Altijdaanwezige, de Enige, de Eeuwige, de Trooster van onze voorouders, het Licht waarin wij ons baden… Hij wees deze dag aan. We lazen het zojuist in de Rol van Mosjé Rabbénoe – Mozes onze Leraar: “En in de zevende maand, op de eerste van de maand, zullen hoorns een oproep tot een heilige samenkomst doen klinken.”
Vandaag dus. Maar dan doen we het toch weer anders: anders dan God ons opdroeg. In onze gebedshuizen schallen de hoorns niet als oproep tot een heilige samenkomst, niet vooraf aan de dienst dus, maar pas ver in de dienst, als oproep niet tot samenzijn maar tot individuele inkeer. Dat is dan waarschijnlijk toch onze jiddiesje eigenwijsheid…

Velen zeggen, dat deze dag tot Rosj ha-Sjanà is aangewezen omdat op deze dag de Schepper aanving met scheppen. Dit is echter onjuist. De 1e dag van de maand Tisjré valt vandaag exact 5771 jaar na de zesde dag van de schepping: het is de dag waarop de Kòdesjbòrchoe – de Heilige geprezen is Hij – de mens schiep. En het is ook de dag waarop de eerste mens zondigde tegen de Schepper, door te eten van de verboden Boom der der kennis van goed en kwaad. Waarom dan toch deze dag de status van Eerste dag gegeven? Zo was God’s bedoeling: Hij schiep de Aarde en al wat er op is en verhulde Zijn Aanwezigheid, Zijn Sjchienà, in deze wereld. Het is de mens die de Sjchienà moet onthullen en met deze taak kon pas worden begonnen toen de mens geschapen was – op de zesde dag dus. Vandaag.
De mens werd alléén geschapen, maar God zag meteen, dat het niet goed was dat de man alleen was: lo tov hijòt adàm levadò. En zo schiep God de vrouw Chavà als ‘èzzer ke-neֹgdò’. Wij vertalen dat politiek-correct als ‘helpend tegenwicht’: de vrouw die de niet altijd evenwichtige man in balans houdt, intoomt... Dat klinkt mooi, en ik geef toe: voor de meeste echtgenotes gaat dat wel op, J maar in het geval van Chavà zou de vertaling ‘tegendraads hulpje’ J beter zijn… Immers, het was de vrouw die de mens verleidde tot ongehoorzaamheid aan de wil van de Schepper. De Kabbalà leert ons dat de ziel van de mens die ongehoorzaamheid niet doorstond: zij versplinterde en vergruisde in ontelbaar veel stukjes. Adàm werd met zijn tegendraadse vrouw uit de Lusthof van Èdden verbannen. Adàm moest zich in het zweet gaan werken als boer en Chavà moest voor straf kinderen gaan baren in hevige pijn en de Aarde bevolken.
Uit Chavà werd de mensheid geboren, en de splinters van de ziel van Adàm werden de zielen van ons mensen. Onze verhouding met God is niet te vergelijken met de verhouding van God met Adàm. God keek Adàm in de ogen en Adàm zag God’s aangezicht.
Wij nu zijn, ieder van ons voor zich, te klein en te onwaardig om zo met de Eeuwige te kunnen verkeren. Bovendien zijn wij te los van God en van elkaar om goed te kunnen functioneren. De enige wijze waarop wij de verhouding mens-God kunnen herstellen, is door onze zielen te verenigen. En het is daarvoor, dat wij ons alle dagen moeten inspannen.
Al ons spreken en doen moet er op gericht zijn samen te werken met onze medemensen. De Torà leert ons daartoe lessen van liefde, rechtvaardigheid en vrede. Door de Torà te verstaan en na te leven, te onderwijzen en vóór te leven, verenigen wij alle leden van ons volk en dan alle leden van de mensheid. Dan herstellen wij de ziel van Adàm, van De Mens, en dan herstellen wij de wereld: dan maken wij de wereld weer zoals God deze schiep: één wereld, één lusthof, met één verenigde ziel die met God wandelt.
Nu we dit beseffen, hier aan het begin van Rosj ha-Sjanà, kunnen we ook bevatten hoever onze huidige spirituele staat verwijderd is van de spirituele staat waarin wij zouden kunnen verkeren. Wie van ons wandelt met God? Wie van ons wandelt de hele dag met God? Wie van ons is zijn hele waken vrij van zondige gedachten, onrechtvaardige woorden en liefdeloos handelen? Waarschijnlijk niemand van ons… Ikzelf zou zuiverder willen denken, zorgvuldiger en schoner willen spreken, en ik zou meer liefde willen geven. Maar het is een voortdurende worsteling. En ik neem aan, dat dit helaas ook voor jullie geldt.
Onze traditie zegt, dat wij nu tien dagen hebben, tot aan het uitgaan van Grote Verzoendag, om terug te kijken op het afgelopen jaar, om onze gedachten, woorden en daden te schouwen. En om in alle oprechtheid tot een ferm besluit te komen, ons te beteren. Investeren wij die tien dagen in zelfonderzoek en komen wij tot inkeer, dan zullen wij bij het uitgaan van Jom Kiepóer goed aangeschreven staan in de Hemelen.
Op Grote Verzoendag vragen wij dat God ons kracht zal geven, en doorzettingsvermogen, opdat wij ons zullen kunnen beteren. Met Soekòt ontvangen we die kracht. En op Simchàt Torà zullen we in grote blijdschap vieren dat we de scherven van Adàm’s ziel herenigd hebben!
De vorige eeuw was de meest dodelijk eeuw in de geschiedenis van de mensheid. De 1e Wereldoorlog eiste 16 miljoen slachtoffers, waarvan 1/3 burgers. De 2e Wereldoorlog eiste 60 miljoen slachtoffers, waarvan 10% leden van ons volk waren – allen onschuldige burgers… En daarna waren er de oorlog in Korea, de oorlog in Vietnam, de oorlog in Biafra, de Hoetoes en de Toetsies, de volkerenmoord op christenen in Soedàn enzovoorts… En naast de oorlogen waren er de al even onnodige en even wrede hongersnoden en overstromingsdoden. De mens wacht nog veel werk. De geschiedenis van de mensheid bestaat grotendeels uit onrecht, geweld, onderdrukking, slavernij en honger. En wij, zoals wij hier zitten, maken ons schuldig aan roddel en achterklap en wij liegen ook wel eens…
Moge onze Vader, die in de Hemelen èn op Aarde is, ons zóveel kracht geven, dat vanaf nu de toekomst van de mensheid een toekomst van alleen maar recht en rechtvaardigheid zal zijn. Geen oorlogen meer, geen honger meer, geen onderdrukking meer, geen armen meer die in gammele hutjes op gevaarlijke plaatsen moeten wonen. Alleen nog recht en solidariteit en liefde. Moge onze Vader vol erbarmen de mensheid helpen dat nog dit jaar te bewerkstelligen, en moge Hij spoedig uit het Huis van Davíed de Masjíeach doen opstaan.
Moge dit toch eindelijk Zijn wil zijn - keen jehíe ratsón - Améén.
כֵּן יְהִי רָצוׄן
