In het begin schiep God de Hemelen en de Aarde.
Er heerste absolute duisternis op Aarde, maar dat gaf niet, want er waren nog geen ogen die licht nodig hadden. De Schepper wist dat Hij een mens met ogen zou scheppen, en in Zijn mededogen met die mens (opdat die mens niet in het donker hulpeloos zou verdwalen en bang zou zijn) schiep Hij licht. Vanuit datzelfde mededogen voor de mens scheidde de Almachtige het licht van de duisternis, en Hij stelde voor elk van hen een plaats en een tijd in, en Hij noemde het licht ‘dag’ en de duisternis ‘nacht’. In het licht, zo was het plan van de Eeuwige, in het licht van de dag zou de mens de Aarde beheren, en in de duisternis van de nacht zou de mens rusten.
Het was donker en het werd licht: de tweede dag brak aan. Elohíem schiep het uitspansel boven de Aarde en plaatste zon, maan en sterren; Hij scheidde de zee van het land, Hij plantte gras, struiken en bomen, Hij schiep vissen voor in de zee en vogels voor boven het land, Hij schiep insecten en reptielen en dieren. Daarmee was Sjaddái vier dagen bezig. Toen Hij tenslotte Zijn werk bekeek, zag Hij dat het goed was.
Op de zesde dag schiep HaSjém van een handvol grond – adamá, de mens: Adám. Hij toonde de mens alle schepselen en de mens gaf elk van hen een naam, maar tussen al die schepselen vond de mens geen levenspartner. Vermoeid viel Adám in slaap. Daarop nam de Kadósj Baróech Hoe een rib uit het lijf van Adám en vormde van die rib een levenspartner: vlees van zijn vlees, bloed van zijn bloed. Adám noemde dat nieuwe schepsel, de vrouw, ‘Chavá’. Die naam ‘Chavá’ komt van de stam van het Hebreeuwse woord ‘leven’, en de Torá vertelt ons dat Adám die naam koos omdat Chavá de moeder van al het levende zou worden: de moeder van Adám’s hele nageslacht de mensheid.
Volgens onze wijzen was de zesde dag van de schepping de 1e Tisjré, dat wil zeggen: de dag die wij nu kennen als ‘Rosj Ha-Sjaná’. De God van Israèl koos de dag van de schepping van de mens uit als de eerste dag van het Israëlitische jaar. De Zóhar zegt:
“Adám werd geschapen op Rosj Ha-Sjaná en hij stond voor Zijn Vonnis op diezelfde dag. Hij kwam tot volledig berouw en tot volledige inkeer op die dag, en God vergaf hem. Toen zei Adonái tot Adám: Zo zal het ook gaan met je nageslacht: op Rosj Ha-Sjaná zullen zij voor Mij verschijnen om gevonnist te worden, en als zij oprecht tot inkeer zullen komen, zal ik hen vergeven.”
Onze wijzen zeggen ook, dat Avrahám’s lang verlangde zoon Jitschák werd geboren op Rosj Ha-Sjaná, en ook dat hij jaren later bijna geofferd werd door zijn vader op Rosj Ha-Sjaná. In zijn plaats werd uiteindelijk een ram geofferd, en vandaar dat wij op deze dag blazen op de ramshoorn, de sjofár.
Rabbi Abbahóe zei: “Laat op Rosj HaSjaná de sjofár klinken, opdat Jah – God – zich het bereidwillige martelaarschap van Jitschák zal herinneren, en jullie zal zien als even bereidwillig te sterven wanneer Hem dat goeddunkt.”
Bij de Akedá – het offeren van Jitschák werd niet alleen Avrahám op de proef gesteld: Zou hij ZO gehoorzaam aan God zijn, dat hij zijn zoon zou offeren? Ook Jitschák werd beproefd: zou hij zich laten offeren aan de God van zijn vader, of zou hij zich verzetten? Rabbi Abbahóe zei dus in feite: “Blaas op de sjofár opdat de verdienste van Jitschák God’s oordeel over jullie zal verzachten.”
En zo zeggen wij in onze gebeden keer op keer: “Niet omdat WIJ zulke heiligen zijn, God van Israèl, wagen wij het onze smeekbeden tot U te richten.” Wij roepen God’s vergiffenis over ons af door te wijzen op זכות האבות – de verdiensten van onze voorvaderen Avrahám, Jitschák en Ja’akóv. Want wat hebben WIJ nu helemaal gepresteerd? Wij zijn tekort geschoten en wij hebben zelfs gezondigd… Maar onze vaderen en onze moeders Sará, Rivkáh, Leáh en Rachél: ZO willen wij worden, HEN nemen wij als voorbeeld: vergeef ons onze zwakte en geef ons nóg een jaar de tijd om ons te beteren, om net als zij te worden: uw volmaakte dienaren!
Onze oude traditie leert ons, dat in de Hemelen vanavond drie grote boeken geopend worden: het Boek van de Rechtvaardigen, het Boek van de Verstokten, en het Boek van de Terugkerenden. Wie volmaakt rechtvaardig is, zal direct genoteerd worden in het Boek vn de Rechtvaardigen, en hij zal geholpen worden nóg meer mitswót te verzamelen óf hij zal van het Paradijs mogen gaan genieten; wie een verstokte misdadiger is, zal direct genoteerd worden in het Boek van de Verstokten, en hij zal de gelegenheid krijgen zijn ziel nóg zwarter te maken óf hij zal in het Zuiverende Vuur worden geworpen; en de doorsnee mensen, zoals wij hier, die niet rechtvaardig maar ook niet verstokt zijn, zullen nog niet genoteerd worden: wij krijgen tot het einde van Jom Kippóer de tijd om tot volledige inkeer te komen, en indien dat lukt, zullen wij nog een kans krijgen om goed te doen. En indien dat ons niet lukt, en wij niet tot inkeer komen…
Maar hoe kunnen wij tot inkeer komen? Hoe doe je dat? Hoe doet een Jood dat?
Wel, je kunt je misstappen van het afgelopen jaar niet afkopen. Niet met donaties aan goede doelen en niet met urenlange gebeden. En je kunt ook niet bij een rabbijn gaan biechten…
Een Jood die het goed wil maken met de God van Israèl, moet het eerst goed maken met alle mensen die schade hebben geleden door zijn misstappen.
Heb je iemand belasterd? Vertel je toehoorders dat je loog, vertel het je slachtoffer, beloof beterschap en vraag hem om vergiffenis.
Heb je van iemand gestolen? Geef het gestolene terug en vergoedt alle geleden schade, en vraag zijn vergiffenis.
Heb je iemand verdriet gedaan? Biedt je verontschuldigingen aan, compenseer hem met een lief gebaar of een leuk cadeau, en vraag zijn vergiffenis.
Pas als je iedereen schadeloos gesteld hebt, mag je je wenden tot God.
In Jesajáhoe 55:6 staat: “Zoek de Heer, terwijl Hij gevonden kan worden; roep Hem aan terwijl Hij nabij is.” Een midrásj zegt: Wanneer is God nabij? Tijdens de Tien Dagen van Inkeer.
DIT zijn de Tien Dagen van Inkeer: van begin Rosj Ha-Sjaná tot eind Jom Kippóer. NU is God nabij. En luistert. NU staan de poorten van de Hemelen open. En dus is NU de tijd om goed te maken wat we mis deden, en dus is NU de tijd om God te smeken om Zijn vergiffenis voor het afgelopen jaar, en om Zijn steun voor het nieuwe jaar.
Tien Dagen van Inkeer… Stel nu dat je al voor Rosj Ha-Sjaná aan al je slachtoffers al compensatie en excuses hebt aangeboden en dat je ook nog eens van hen allemaal vergiffenis hebt gekregen: ben je dan klaar?
Nee. Want dan moet je je afgetekende dossier nog afleveren bij de Hemelpoort, en dan moet je op Grote Verzoendag nog voorkomen… Dan moet je de Rechter, de allerhoogste Rechter er nog van overtuigen, dat je misstappen eenmalige incidenten waren. Dan moet je de Hemelse rechtbank er van overtuigen dat je niet volgend jaar met hetzelfde dossier zult verschijnen, dat je dus geen draaideur-zondaar bent. En daar zijn woorden voor nodig, veel woorden, dus bid. Je hoeft daarvoor geen moeilijk Hebreeuws gebedenboek voor te dragen. Neem elke dag de tijd om God gewoon te vertellen, in je eigen taal en in je eigen woorden, wat je niet gelukt is dit jaar, en hoe je denkt te voorkomen dat je ook in het nieuwe jaar weer de fout zult ingaan. En vraag Hem om Zijn steun. Om Zijn hand in je rug, voor een duwtje op z’n tijd, en om een schouderklopje wanneer je dat verdient. En vertel Hem vooral WAAROM je tegen Hem praat: omdat het je allergrootste verlangen is een goede Jood te zijn. Omdat je samen met Hem de wereld goed wilt maken naar Zijn plan.
En als je dan toch met HaSjém praat,
vraag Hem gelijk even om de volledige Verlossing, spoedig en nog in onze dagen!
Moge dit Zijn wil zijn – Keen jehíe ratsón – כן יהי רצון
Améén ! אמן
