Vanavond begint het Joodse jaar 5.776. Op deze dag schiep HaSjèm 5.775 jaar geleden uit aarde – adamá - de eerste mens, Adám. Vanavond is dus de mensheid jarig:
מזלטוב לכולנו! - MAZZELTOV ALLEMAAL!
5.775 jaren bestaat de wereld, 5.775 jaren bestaat de mensheid.
4.000 jaren, sinds Avrahám de Schepper ontdekte, 4.000 jaren bestaat het Jodendom.
3.300 jaren, sinds de Openbaring vanaf de berg Sinái, 3.300 jaren bestaat het Joodse volk.
1.945 jaren, sind de vernietiging van de Laatste Tempel, 1945 jaren leeft ons volk in de Ballingschap. 1945 jaar… Dus meer dan de helft van het bestaan van ons volk hebben wij al doorgebracht in ballingschap!
Nu zeggen jullie meteen: “Ho even, vriend, al 67 jaar is er weer een zelfstandige Joodse staat, dus de Ballingschap is allang voorbij!” Wel, jullie hebben ongelijk…
Toen de Romeinen in het jaar 70 de Tweede Tempel in Jeruzalem vernietigden en alle Joodse Jeruzalemmers de stad uit joegen en onze Ballingschap begon, waren zij al 133 jaar lang de bezetter. Dus al 133 lang was er geen zelfstandige Joodse staat, en ook eerder al was Kná’an door vreemde mogendheden bezet: de Babyloniërs, de Grieken… en lang voor de Tempel vernietigd werd, woonden er al veel Joden buiten Kná’an (in Babylonië, rond de Middellandse Zee) maar de Ballingschap ging pas in toen de Tempel viel. Dit houdt in, dat ons volk nog steeds in Ballingschap is, ook de Joden die in de staat Israèl wonen, zelfs de Joden die in Jeruzalem wonen en zelfs de Joden die daar in de Oude Stad wonen. Dat is best raar! Waarom is dat zo?
Onze wijzen hebben ons geleerd, dat de Ballingschap (in het Hebreeuws גלות – galóet) is ingesteld door God. Hij liet toe dat de Romeinen de Tempel, Zijn Huis, vernietigden, om onze voorouders te straffen. Eeuwenlang werd ons volk verscheurd door strijd: twee Joodse koninkrijken, Jehoedá en Israèl, bevochten elkaar; stammen bevochten elkaar; families bevochten elkaar; en zelfs binnen families bevochten broers elkaar. Onze voorouders maakten zich schuldig aan haat en broederstrijd en dat verdroot God heel erg. Maar die haat en broederstrijd waren slechts symptomen van een woekerende zonde: toentertijd maakte heel ons volk zich dag in dag uit schuldig aan ‘lasjón hará’ – kwaadsprekerij – en ‘hotsa’át dibá’ – laster. God’s volk, God’s ‘Volk van Priesters’ was geen eenheid meer, het was uiteen gevallen in elkaar bestrijdende fracties. Van heiligheid was geen sprake meer: ruzies werden uitgevochten tot in de Tempelhof; voor de functie van Kohèn Gadól – Hogepriester werd niet langer de meest vrome Kohèn uitverkoren, maar de koning verkocht het ambt aan de hoogste bieder; en er was corruptie BINNENIN de Tempel: de priesters eisten veel grotere offers van de burgers dan de Torá voorschreef, van het offer van een duif maakten zij het offer van een geit, en van het offer van een schaap maakten zij het offer van een koe, en het vlees verhandelden zij en de opbrengst staken zij in hun zak; het hele Tempelplein was handelsterrein geworden: lawaaierig, vuil, stinkend… God kon het niet langer verdragen, en Hij gebruikte de Romeinse bezetter om ons volk te straffen. Vandaar de Ballingschap.
Maar waarom staat er in het bevrijde Jeruzalem nog altijd geen Derde Tempel? Komt dat doordat de Israëlische regering niet de ballen heeft om die vervloekte moskee met die gouden koepel op te blazen? Nee. Er staat nog altijd geen nieuwe Tempel omdat HaSjèm de Verbanning nog niet heeft beëindigd.
Maar waarom duurt de Ballingschap dan zo lang?! Al 1945 jaar?! De Ballingschap begon, omdat Hasjèm de kwaadsprekerij en de laster van ons volk niet langer kon verdragen. Ja? Wel, wees eens eerlijk: zijn wij Joden inmiddels gestopt met die kwaadsprekerij & laster? Nee. De ene Joodse stroming spreekt kwaad van de andere, en vice versa, de ene Joodse bestuurder spreekt kwaad van de ander, en vice versa, en zelfs binnen onze misjpóeches – onze families - zijn er leden die kwaad spreken over elkaar en elkaar belasteren. En ook binnen deze Kehillát Kódesj – deze Heilige Gemeente – zijn er vast wel enkele… Alle goede wil van onze Wijzen ten spijt, alle gepassioneerde oproepen van onze rabbijnen ten spijt, maakt binnen ons volk nog steeds de een kapot wat de ander heeft opgebouwd. Al 1945 jaren zuchten wij in Ballingschap en we zijn nog niets verbeterd! L
De Ballingschap is dus niet zozeer dat wij niet in ons Godgegeven Land wonen. De Ballingschap is de boete die wij moeten doen omdat wij spiritueel hebben misdreven, hebben gezondigd. En zolang wij doorgaan met zondigen, met kwaadsprekerij en laster, zolang zal de Ballingschap duren. Wij kunnen bidden om de Komst van de Masjíach maar daarmee leggen wij de verantwoordelijkheid voor onze verlossing uit de Ballingschap bij HaSjèm. Terwijl de Verlossing ONZE verantwoordelijkheid is, zoals de Ballingschap ONZE verantwoordelijkheid was. Indien WIJ ons beteren, zal ook onze situatie zich beteren. Indien WIJ JODEN ons beteren, zal de situatie van de hele mensheid zich beteren. Dan zal de afgezant van HaSjèm komen en een einde maken aan alle onrecht en al het lijden van de hele mensheid. Indien WIJ ons alleen maar beteren…
Waarom hebben de volkeren zo de pest aan ons? Omdat wij beloven maar niet leveren. Wij hebben de volkeren de Torá geschonken als een blauwdruk voor een rechtvaardige, ZALIGE wereld, maar wij leven zelf de Torá niet na. Zelfs in onze zogenaamd ‘Joodse’ staat regeert het onrecht. Wij hebben de volkeren een Verlosser beloofd maar wij verhinderen al eeuwenlang Diens komst. Wij weten tot in de kleinste details te vertellen hoe alles zou moeten, maar wij DOEN het niet. Wij pretenderen een Volk van Priesters te zijn, maar wij zijn niet spiritueel en wij zijn niet heilig.
Dat is het probleem met ons volk en dat is waarom de volkeren ons kleine volkje haten. En dat is waarom HaSjèm ons Zijn liefde, Zijn mededogen en Zijn vergiffenis onthoudt. Elke jaar in dit seizoen wenden wij ons tot Hem in lange gebeden en bekennen wij onze zonden en pijnigen wij ons met vuistslagen op ons hart, maar in de volgende seizoenen zetten wij ons zondigen weer vrolijk voort.
עס איז שווער צו זיין א ייד - Es iez sjweer tsoe zain a jied – Het is moeilijk om een Jood te zijn. Het is moeilijk omdat God veel van ons verlangt: Hij verlangt van ons dat wij een voorbeeld voor de mensheid zullen zijn, Hij verlangt van ons voorbeeldig gedrag.
Het is ook moeilijk om een Jood te zijn, omdat de volkeren van ons veel verwachten, en ons vervolgen omdat wij niet voldoen.
Maar wij, wijzelf kunnen dat veranderen: dit jaar, tussen deze avond en de sluiting van Grote Verzoendag, kunnen wij onszelf veranderen. De Hemelpoorten zijn zojuist geopend en zij sluiten pas over 10 dagen. Wie nu oprecht, zonder voorbehoud en vanuit het diepst van zijn hart en met heel zijn ziel de Hemelen vraagt om steun om er in dit nieuwe jaar in te slagen een Priester te worden: een Complete Jood, zal die steun krijgen. Dan zal dit jaar het jaar van de Verlossing worden en dan zullen we hier volgend Rosj Ha Sjaná elkaar begroeten met עס איז ווונדערלעך צו זיין אַ איד – Es iez wóenderlach tsoe zain a jied! – Het is HEERLIJK om een Jood te zijn!
God geve, dat wij vanavond nog, ieder van ons, bevangen zullen worden door die oprechte wil, vanuit het diepst van onze harten en met heel onze zielen ons leven te beteren en Joodse Priesters te worden: Levende Voorbeelden van HaSjèm’s wil.
Moge het Zijn wil zijn, dat wij over Tien Dagen na het einde van Grote Verzoendag deze sjoel zullen verlaten en de wereld zullen instappen met de kracht en de macht om alléén maar te doen wat juist is in Zijn ogen.
Moge dit Zijn wil zijn - Keen jehíe ratsón – כן יהי רצון
Améén!
